> Retouradres Postbus 20901 2500 EX D en Haag
De voorzitter van de Tweede Kamer
der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA DEN HAAG
Datum 22 december 2022
Betreft Emissies door de luchtvaart
Geachte voorzitter,
In de Kamer is de afgelopen jaren in toenemende mate aandacht besteed aan de
emissies van de luchtvaart en de gevolgen daarvan voor de lokale luchtkwaliteit,
onder meer door de emissies van ultrafijn stof en zeer zorgwekkende stoffen
(ZZS). Daarom wordt de Kamer een stand van zaken gegeven van diverse acties
die momenteel lopen op dit gebied, waarmee tevens wordt voldaan aan een aantal
toezeggingen die aan de Kamer zijn gedaan.
In deze brief komen de volgende onderwerpen aan de orde:
1. Ultrafijn stof: omgeving en platformmedewerkers.
2. Ontzwavelen van kerosine.
3. Zeer zorgwekkende stoffen.
4. Uniformeren van het berekenen van emissies en concentraties.
5. Emissies boven 3.000 voet.
6. Emissies van de 440.000 vliegtuigbewegingen op Schiphol.
7. Bestuursovereenkomst intenties samenwerking NOVEX Schiphol.
1. Ultrafijn stof
1.1 Blootstelling van de omgeving van luchthavens aan ultrafijn stof
van de luchtvaart
Op 20 juni 2022 is het eindrapport van het RIVM-onderzoekprogramma naar de
gezondheidsrisico’s van ultrafijn stof rond Schiphol aan de Kamer aangeboden1. In
die brief is aangegeven welke acties al zijn uitgevoerd, lopen of nog worden
opgepakt. Hieronder wordt de voortgang van enkele van die acties toegelicht.
Kennisopbouw over emissie en effecten van ultrafijn stof
Over de emissie en effecten van ultrafijn stof is onvoldoende bekend. Om te
bezien of normstelling noodzakelijk is en een goed besluit te kunnen nemen over
te nemen maatregelen, is het noodzakelijk dat de kennis over bronnen,
hoeveelheden en effecten van ultrafijn stof wordt vergroot. Zoals aangegeven in
1 Kamerstukken II 2021/22, 30175, nr. 414
Ministerie van
Inf rastructuur en
Waterstaat
Rijnstraat 8
2 5 15 XP D en Haag
P ostbus 20901
2 5 00 E X Den Haag
T 0 7 0-456 0000
F 0 7 0-456 1111
Ons kenmerk
I E NW/BSK-2022/268034
Bijlage(n)
2
P agina 1 van 9
de Hoofdlijnenbrief Schiphol van 24 juni 2022 2 is normering voor het kabinet het
uitgangspunt. Daarom is kennisopbouw voor het kabinet van groot belang.
In de Kamerbrief over het eindrapport van het RIVM-onderzoekprogramma is
opgenomen dat Nederland het belang van meer kennis en inzicht over ultrafijn
stof nadrukkelijk heeft opgenomen in een non-paper aan de Europese Commissie
(hierna: Commissie). Doel daarvan was dat de Commissie met ultrafijn stof
rekening kan houden bij de lopende herziening van de luchtkwaliteitsrichtlijnen.
Ministerie van
Inf rastructuur en
Waterstaat
Ons kenmerk
I E NW/BSK-2022/268034
Op 26 oktober 2022 heeft de Commissie een voorstel gedaan voor onder meer de
wijziging van de Ambient Air Quality Directives (Richtlijnen inzake de kwaliteit van
de omgevingslucht)3. In het voorstel zijn onder meer bepalingen opgenomen over
meten en monitoren van luchtverontreinigende stoffen, waaronder ultrafijn stof.
Daarmee wordt internationaal een belangrijke stap gezet naar meer kennisopbouw
over en mogelijk op termijn normstelling voor ultrafijn stof.
Op 12 december 2022 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken het BNC-fiche
met de reactie op het EC-voorstel aan de Kamer aangeboden.
Daarnaast zal het RIVM in 2023 zorgdragen voor verschillende internationale
publicaties over het in Nederland uitgevoerde onderzoekprogramma en de
conclusies daarvan. Het streven daarbij is om internationaal meer van soortgelijk
onderzoek in gang te zetten, omdat meerdere, onafhankelijk van elkaar
uitgevoerde studies noodzakelijk zijn om met zekerheid uitspraken te kunnen
doen over de gezondheidseffecten van ultrafijn stof (causaal verband aantonen).
Structureel meten en monitoren van ultrafijn stof in Nederland
Het RIVM heeft op verzoek van het ministerie van IenW een voorstel gedaan voor
het in Nederland structureel meten van ultrafijn stof door vaste meetpunten, die
onderdeel zijn van het Landelijk meetnet luchtkwaliteit. Die meetpunten meten
dan het totaal aan ultrafijn stof, dus van alle bronnen tezamen.
Daarnaast is een voorstel gedaan hoe meer inzicht kan worden verkregen in de
emissie van ultrafijn stof door specifieke, afzonderlijke bronnen, anders dan de
luchtvaart, zoals het wegverkeer en de industrie. Hierover wordt de Kamer door
de Staatssecretaris van IenW ge ïnformeerd.
Met deze aanpak loopt Nederland vooruit op het in de vorige paragraaf genoemde
voorstel van de Europese Commissie voor monitoringbepalingen van ultrafijn stof.
Ultrafijn stof uit de luchtvaart rond regionale luchthavens
Het eerdergenoemde onderzoekprogramma van het RIVM heeft zich gericht op het
vliegverkeer en de omgeving van de luchthaven Schiphol. Uiteraard wordt ook op
de regionale luchthavens ultrafijn stof door de vliegtuigen geëmitteerd.
Het ministerie van IenW laat in de eerste helft van 2023 voor de luchthavens
Eindhoven Airport, Rotterdam The Hague Airport, Maastricht Aachen Airport en
Groningen Airport Eelde door het NLR berekenen welke concentraties ultrafijn stof
daar kunnen optreden als gevolg van het vliegverkeer op de afzonderlijke
luchthavens. Het RIVM zal aanvullend, op basis van de bevindingen in het
Schiphol-onderzoek, aangeven welke risico’s zijn verbonden aan de berekende
concentraties rond de regionale luchthavens. Hiermee wordt voldaan aan de
2 Kamerstukken II 2021/22, 29665, nr. 432.
3 https://ec.europa.eu/commission/presscorner/detail/nl/ip_22_6278
P agina 2 van 9
informatiebehoefte van de omwonenden van die luchthavens en kan worden
bezien of het noodzakelijk is om beleidsmaatregelen te nemen.
Cumulatie
In 2023 wordt door het RIVM een notitie opgesteld, waarin wordt verkend welke
stappen nodig zijn om de gecumuleerde gezondheidsrisico’s rond Schiphol meer
expliciet te maken, en welke belemmeringen en kansen hierbij spelen. Op basis
van deze notitie zal bepaald worden of, en zo ja , welke vervolgstappen kunnen
worden uitgevoerd, eventueel in NOVEX-verband (zie paragraaf 7 van deze brief).
Ministerie van
Inf rastructuur en
Waterstaat
Ons kenmerk
I E NW/BSK-2022/268034
1.2 Blootstelling van platformmedewerkers aan ultrafijn stof en
andere stoffen
Op 1 oktober 2021 heeft de Kamer het RIVM-rapport ‘Verkenning haalbaarheid
gezondheidsonderzoek werknemers Schiphol’4 ontvangen. Hieronder wordt
aangegeven hoe de sector de aanbevelingen uit dat rapport heeft opgepakt.
Daarbij maak ik onder meer gebruik van door Schiphol verstrekte informatie.
Gecoördineerde aanpak door de sector
In de brief van 15 februari 20225, met de beantwoording van Kamervragen over
dit thema, is aangegeven dat de sector bezig was met het instellen van een
taskforce.
Inmiddels is deze sectorbrede taskforce Stoffen volop actief en kent meerdere
onderdelen (zie figuur 1). De taskforce richt zich niet alleen op ultrafijn stof, maar
ook op andere stoffen afkomstig van vliegtuigmotoren.
Begeleidingscommissie met
onafhankelijk voorzitter (Dhr. W.
Mul).
Leden: Royal Schiphol Group (RSG),
KLM, FNV, werkgeversvereniging
voor de sector passagiers- en
bagageafhandeling luchtvaart (WPBL)
en IenW
Informeren/
voorleggen
Coördinatiegroep
Leden: deskundigen van RSG,
luchtvaartmaatschappijen,
afhandelaars en maincontractors
Bijsturen
Validatiecommissie (in oprichting).
Leden: deskundigen uit de
wetenschap en medische sector
Valideren
Werkgroep
Blootstelling
en gezondheid
Leden: idem
coördinatie-
groep + FNV
Werkgroep
Maatregelen
Leden: RSG
en
afhandelaren
Figuur 1. Organogram taskforce Stoffen
De begeleidingscommissie binnen de taskforce heeft een onafhankelijk voorzitter
en er zijn inhoudelijke werkgroepen gestart. Daarnaast is een validatiecommissie
in oprichting. De coördinatiegroep coördineert de werkzaamheden van de
werkgroepen, bewaakt de samenhang, heeft een besluitvormende rol en is de link
met de begeleidingscommissie.
4 Kamerstukken II 2021/22, 29665, nr. 414
5 Kamerstukken II 2021/22, Aanhangsel, nr. 1694
P agina 3 van 9
Ministerie van
Inf rastructuur en
Waterstaat
Ons kenmerk
I E NW/BSK-2022/268034
Onderwerpen werkgroepen
De werkgroep ‘Blootstelling en gezondheid’ is belast met de volgende
onderwerpen:
 Blootstellingsonderzoek: er is zicht op de concentraties van ultrafijnstof op
het platform (aan airside) op Schiphol. Onbekend is nog in welke mate
individuele medewerkers worden blootgesteld aan ultrafijn stof. Daarom
wordt gestart met een persoonlijk blootstellingsonderzoek. Zo’n onderzoek
geeft inzicht in de concentraties waaraan een medewerker gedurende een
werkdag wordt blootgesteld.
Momenteel worden voorbereidende werkzaamheden uitgevoerd om dit
onderzoek op wetenschappelijk juiste wijze uit te voere n. Dit betreft
bijvoorbeeld het valideren van de meetinstrumenten. Het onderzoek wordt
opgezet met een onafhankelijk kennisinstituut en in 2023 uitgevoerd.
 Gezondheidskundig onderzoek: de eerste stap daarin is het inzichtelijk
maken van de algemene fysieke staat en de gezondheid van medewerkers
die werkzaam zijn op het platform. Hiermee worden de huidige
gezondheidssituatie en eventuele gezondheidsklachten van medewerkers
op het platform in kaart gebracht. Ook kunnen er door dit onderzoek
mogelijk aanwijzingen worden gevonden of medewerkers op het platform
een verhoogd risico lopen op bepaalde medische aandoeningen. Het gaat
dan om gezondheidsaandoeningen die verband houden met blootstelling
aan luchtverontreinigende stoffen, waaronder ultrafijn stof. Het RIVM
(2022) en de Gezondheidsraad (2021) hebben in kaart gebracht om welke
aandoeningen het zou kunnen gaan, zoals effecten op het hart- en
vaatstelsel en de luchtwegen.
Om een dergelijk onderzoek met betrouwbare data te 'vullen', zijn veel
individuele gezondheidskundige gegevens van medewerkers nodig. Het is
de bedoeling dat deze uit individuele Periodieke Arbeidskundige
gezondheidsonderzoeken (PAGO) worden verzameld. Deze PAGO’s worden
sectorbreed uitgevoerd, de deelname hieraan is vrijwillig. De komende
maanden wordt uitgewerkt welke vragen en/of medische testen aan
bestaande PAGO’s moeten worden toegevoegd. Het streven is het
aangepaste PAGO aan het eind van het eerste kwartaal 2023 gereed te
hebben. Op advies van gezondheidsexperts zal worden bepaald hoe vaak
het PAGO aan medewerkers zal worden aangeboden.
 Meetprogramma: er wordt een meetnet ingericht met stationaire
ultrafijnstof-meetpunten. Het is de bedoelding dat dit meetnet, aanvullend
op de metingen die door TNO in het tweede kwartaal van 2021 zijn
gedaan6, informatie oplevert over de effectiviteit van de in te zetten
maatregelen.
In de werkgroep ‘Maatregelen’ worden de maatregelen bekeken die kunnen leiden
tot een vermindering van de blootstelling van platformmedewerkers aan de
emissies van de vliegtuigen. Er wordt onder meer gekeken naar:
 Het zoveel mogelijk beperken van de emissies van zowel de
vliegtuigmotoren als de hulpmotor (APU). Voor iedere functionaliteit wordt
gekeken of er alternatieven mogelijk zijn, zoals taxiën zonder het gebruik
van vliegtuigmotoren (lange termijn maatregel) of het overnemen van de
koeling/ventilatie in het vliegtuig door een Preconditioned Air unit (PCA,
kortere termijn maatregel).
6 Kamerstukken II 2021/22, Aanhangsel, nr. 663
P agina 4 van 9
 Alternatieven voor dieselaangedreven apparatuur. Hieronder valt een
versnelling in de vervanging van diesel Ground Power Units (GPU’s) door
een emissievrij alternatief (E-GPU’s of walstroom).
Ministerie van
Inf rastructuur en
Waterstaat
 Het aanpassen van vertrek- en aankomstprocedures, zoals een langere
sleepprocedure voor vliegtuigen. Doel daarvan is de blootstelling van
medewerkers aan emissies uit startende motoren zoveel mogelijk te
verminderen.
 Het verstrekken van persoonsgebonden beschermingsmiddelen. Sinds 1
oktober 2022 worden er FFP2-mondneusmaskers beschikbaar gesteld door
de werkgevers. Deze mondneusmaskers zijn vrijwillig te gebruiken. Bij
correct gebruik, filteren deze mondneusmaskers tot 97% van het ultrafijn
stof.
Voor het mogelijk maken van bepaalde operationele maatregelen wordt nog
overleg met LVNL gevoerd, omdat maatregelen een impact op de operatie van de
luchthaven tot gevolg (kunnen) hebben. Van belang is dat maatregelen veilig en
beheerst kunnen worden uitgevoerd. Zo moeten meer of andere bewegingen van
vliegtuigen en voertuigen veilig kunnen worden geaccommodeerd. Operationele
maatregelen kunnen daarom niet van vandaag op morgen worden gerealiseerd,
maar uiteraard is het de bedoeling dat maatregelen voortvarend worden
opgepakt.
Onderzoek Nederlandse arbeidsinspectie
Onder het vorige kopje is beschreven hoe de sector bezig is met het verminderen
van de blootstelling van medewerkers aan ultrafijn stof. De Nederlandse
arbeidsinspectie voert een onderzoek uit naar de arbeidsomstandigheden op de
platforms. De verwachting is dat de inspectie begin 2023 zal rapporteren.
2. Ontzwavelen van kerosine
Fossiele kerosine bevat onder meer zwavel. Die zwavel is een belangrijke bron van
het ontstaan van ultrafijn stof bij de verbranding van de kerosine. Ontzwavelen
van kerosine zou daarom de emissie van ultrafijn stof kunnen verminderen.
Zoals toegezegd aan het lid Kröger in het Commissiedebat Verduurzaming
luchtvaart op 16 juni 2022 is het ministerie van IenW in gesprek gegaan met de
Duurzame Luchtvaarttafel over ontzwaveling van fossiele kerosine. Partijen gaven
aan ontzwaveling te zien als kortetermijnoplossing totdat duurzame brandstoffen
op grote schaal beschikbaar komen, maar vragen aandacht voor de additionele
kosten die ontzwaveling met zich meebrengt. De duurzame brandstoffen bevatten
doorgaans geen zwavel en weinig aromatische koolwaterstoffen. De partijen gaven
aan dat dit onderwerp vooral in internationaal verband moet worden opgepakt.
Op 17 maart 2022 is de Kamer per brief7 een onderzoek aangeboden naar de rol
van kerosinesamenstelling in niet-CO2-emissies. Hoewel dit een complex dossier
is, is het van belang doelen en mogelijke middelen daartoe scherp te formuleren.
Zwavel speelt een significante rol in de emissies uit kerosineverbranding. Voor een
reductie van de klimaatschade door condensstrepen is het volgens onderzoek
echter van groter belang om de aromatische koolwaterstoffen, en daarbinnen de
zogeheten naftalenen met twee aromatische verbindingen, in kerosine te
verminderen. De inzet die het ministerie al heeft gepleegd en nog beoogt, is dus
niet alleen gericht op ontzwaveling, maar op het aanscherpen van kwaliteitseisen
7 Kamerstukken II 2021/22, 30175, nr. 416
Ons kenmerk
I E NW/BSK-2022/268034
P agina 5 van 9
Ministerie van
Inf rastructuur en
Waterstaat
Ons kenmerk
I E NW/BSK-2022/268034
voor fossiele kerosine om zo de luchtkwaliteit te verbeteren en klimaatschade te
verminderen.
Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 3 maart 2020 8 ligt de mondiale
zwavelnorm voor luchtvaart op 0,3%. De kerosine op de West-Europese markt ligt
in de praktijk ruim onder de mondiale standaard. De nationale ruimte om
kwaliteitseisen voor kerosine te stellen, lijkt beperkt. Ook is dit praktisch
onwerkbaar in een zeer internationale markt met grootschalig,
grensoverschrijdend transport door onder meer buisleidingen. Als een raffinaderij
in Nederland investeringen doet om zwavel en/of aromaten te reduceren, is in een
internationale markt niet op voorhand te zeggen wat het effect is op de getankte
brandstof op Nederlandse luchthavens. De baten voor de luchtkwaliteit in
Nederland en het klimaat zijn dus onzeker en de kans is aanwezig dat de
investeringen in de raffinaderij niet kunnen worden doorgerekend aan afnemers.
Sinds het Commissiedebat van 16 juni 2022 over verduurzaming luchtvaart zijn de
onderhandelingen van het fit-for-55 pakket, waaronder de voorgestelde ReFuelEU-
verordening, voortgezet. Nederland heeft expliciete tekstvoorstellen gedaan om in
de ReFuelEU-verordening voor het eerst monitoring van kerosinesamenstelling
wettelijk vast te leggen, ook met het doel o m hier op termijn meer op te sturen in
Europees verband. De verwachting is ook dat de Europese Commissie via de
verordening door het Parlement zal worden opgeroepen op korte termijn een
effectbeoordeling te doen naar de mogelijkheden en kosten en baten van een
eigen Europese kwaliteitseis voor fossiele kerosine.
De meest kansrijke route is, naast primair in te blijven zetten op het gebruik van
duurzame luchtvaartbrandstof, een aanscherping van de mondiale kwaliteitseisen,
om zoveel mogelijk milieuvoordeel met geringe concurrentienadelen te realiseren.
De organisatie met de grootste impact op de kerosine in Nederland is de
standaardenorganisatie ASTM International. Hierin heeft de Nederlandse overheid
geen rol. Voor overheden is het belangrijkste platform de VN-
burgerluchtvaartorganisatie ICAO. Het ministerie zal de kerosinekwaliteit daarom
actief in ICAO-verband agenderen. Aanvullend zal met nationale stakeholders en
gelijkgestemde (Europese en andere) overheden nader worden verkend hoe dit
dossier mondiaal verder kan worden gebracht.
3. Emissie van zeer zorgwekkende stoffen (ZZS)
In antwoord op Kamervragen in maart 2022 9 en tijdens het Commissiedebat
Verduurzaming luchtvaart van 16 juni 2022 10 is aan de vaste commissie
toegezegd dat de Kamer wordt geïnformeerd over de noodzaak van het nemen
van beleidsmaatregelen om de uitstoot van ZZS door de luchtvaart te beperken.
Daartoe zou eerst onderzoek worden uitgevoerd naar de uitstoot van ZZS door de
luchtvaart en de daaruit volgende concentraties rond Nederlandse luchthavens van
nationale betekenis.
Het streven was om de hiervoor genoemde informatie in de tweede helft van 2022
aan de Kamer te sturen. Gelet op grote drukte bij onderzoekspartijen heeft het
onderzoek helaas vertraging opgelopen.
8 Kamerstukken II 2019/20, 31936, nr. 726
9 Kamerstukken II 2021/22, Aanhangsel, 2050
10 Kamerstukken II 2021/22, 31936, nr. 989
P agina 6 van 9
De eerste stap in het onderzoeksproject is afgerond. TNO heeft berekend welke
emissies van ZZS plaatsvinden door het vliegverkeer van de luchthavens Schiphol,
Rotterdam The Hague Airport, Eindhoven Airport, Maastricht Aachen Airport en
Groningen Airport Eelde. Een belangrijke bevinding is dat de meeste ZZS door de
vliegtuigen worden geëmitteerd tijdens het taxiën op de luchthavens (rond de
90%), dus niet tijdens het vliegen. De reden daarvoor is dat bij taxiën de
verbranding van kerosine niet optimaal is, omdat dan maar een heel beperkt deel
van het vermogen van de vliegtuigmotoren wordt gebruikt.
Ministerie van
Inf rastructuur en
Waterstaat
Ons kenmerk
I E NW/BSK-2022/268034
De volgende stap in het onderzoek is dat moet worden berekend welke
concentraties in de omgeving van de luchthavens worden veroorzaakt do or de
emissies van de ZZS door de vliegtuigen. Het gaat immers niet alleen om de
omvang van de emissies, maar ook om wat die emissies betekenen voor de
blootstelling van de omgeving. De concentratieberekeningen worden in de eerste
helft van 2023 door het NLR uitgevoerd. Op basis van de berekende concentraties
worden beleidsconclusies geformuleerd en zal de Kamer over alle berekeningen en
het vervolg in het derde kwartaal van 2023 worden geïnformeerd.
4. Uniformeren van het berekenen van emissies en concentraties
Het ministerie van IenW is vorig jaar gestart met het uniformer en transparanter
maken van de rekenmethodiek voor luchtvaartemissies. De aangrijpingspunten
daarvoor zijn in oktober 2021 in een rapport vastgesteld, dat ter informatie bij
deze brief is gevoegd.
Naar aanleiding van dat rapport zijn vervolgstappen gezet. De eerste stap naar
meer uniformiteit was het opstellen van een Nationale database vliegtuigemissies.
In deze database zijn onder meer per motortype het brandstofverbruik en de
emissiefactoren van verschillende stoffen opgenomen. Deze emissiefactoren zijn
uitgesplitst naar de verschillende vliegfasen van de Landing & Take -Off (LTO,
start- en landcyclus) cycle, te weten approach (nadering), idle/taxi (taxiën), take -
off (opstijgen) en climb-out (wegklimmen). Ook zijn in de database
emissiefactoren opgenomen voor APU’s (auxiliary power units, de hulpmotoren in
vliegtuigen) en GPU’s (ground power units, mobiele stroomvoorziening die wordt
gebruikt op luchthavens).
De database zorgt ervoor dat iedereen die berekeningen uitvoert, dezelfde input
gebruikt, waardoor achteraf geen discussie kan ontstaan over de voor de
berekeningen gebruikte invoergegevens. De database is in september 2022
beschikbaar gekomen op de website van het Informatiepunt leefomgeving (Iplo)11.
De tweede stap is het uniformeren van de rekenregels. Daartoe is in november
2022 een offerte-uitvraag gedaan. De verwachting is dat een opdracht begin 2023
kan worden verstrekt.
De uniforme rekenregels kunnen worden gebruikt voor het vaststellen en
handhaven van grenswaarden voor de emissie van luchtverontreinigende stoffen
(zoals in artikel 4.3.1. van het Luchthavenverkeerbesluit Schiphol), voor het
opstellen van internationale rapportageverplichtingen en bij het opstellen van
milieueffectrapporten (MER-ren) voor luchthaven(verkeer)besluiten. Bovendien
kunnen de luchtvaartemissies die volgens de rekenregels worden berekend,
11 https://iplo.nl/thema/lucht/vaststellen-luchtkwaliteit/hulpmiddelen/emissies-luchtvaart/
P agina 7 van 9
dienen als invoergegevens bij de vaststelling en handhaving van
concentratienormen en depositieberekeningen (AERIUS).
De rekenregels dienen zoveel mogelijk aan te sluiten bij de invoergegevens voor
geluidsberekening, zoals de vliegtuigregistratie, vliegtuigprestaties, routegebruik
en de vliegprofielen. De Kamer zal in de tweede helft van 2023 worden
geïnformeerd over de voortgang van dit project.
5. Emissies boven 3.000 voet
In de Emissieregistratie van het RIVM worden de emissies inzichtelijk gemaakt tot
een hoogte van 3.000 voet (ongeveer 1 kilometer). Deze emissies worden elk jaar
internationaal gerapporteerd, onder andere aan de Europese Commissie. In 2019
heeft de Kamer opgeroepen om ook de uitstoot van stikstofoxiden boven de 3 .000
voet inzichtelijk te maken12. Ook in reactie op het deelrapport luchtvaart van het
Adviescollege Stikstofproblematiek is aangegeven dat het Ministerie van IenW zich
hier hard voor gaat maken13.
Het RIVM is voornemens om vanaf 2023 ook de emissies boven 3.000 voet
inzichtelijk te maken. Dat geldt niet alleen voor de emissies van stikstofoxiden,
maar ook voor zoveel mogelijk andere stoffen. Komend jaar zal nodig zijn om de
systematiek goed te implementeren. Mocht dit tot onvoorziene vertraging zorgen,
dan zal de opname van de emissies bove n 3.000 voet vanaf 2024 in de
Emissieregistratie plaatsvinden.
6. Emissies van 440.000 vliegtuigbewegingen op Schiphol
Op 24 juni 202214 heeft het kabinet besloten om het jaarlijks aantal toegestane
vluchten op Schiphol te reduceren van 500.000 naar 440.000
vliegtuigbewegingen.
Minder vluchten leiden in beginsel tot minder emissies . Dit is echter wel
afhankelijk van het type vliegtuigen dat wordt ingezet en de wijze waarop wordt
gevlogen. Het ministerie van IenW laat daarom voor verschillende scenario’s in
kaart brengen wat de effecten van de capaciteitsreductie zijn op de emissies van
verschillende stoffen. De Kamer wordt over de resultaten hiervan naar
verwachting in het voorjaar van 2023 via de periodieke voortgangsbrief
Programma Omgeving Luchthaven Schiphol geïnformeerd. Zoals aangegeven in de
Hoofdlijnenbrief Schiphol van 24 juni 2022 is het uitgangspunt om te komen tot
normering van de milieueffecten. Vanaf dat moment wordt geborgd dat negatieve
gezondheidseffecten van Schiphol stapsgewijs afnemen. De vermindering van het
aantal vluchten is een eerste stap.
7. Bestuursovereenkomst intenties samenwerking NOVEX Schipholregio
Zoals in de tweede voortgangsbrief van het IenW Programma Omgeving
Luchthaven Schiphol15 is opgenomen, wordt in de NOVEX Schipholregio
samengewerkt door Rijk en regio om de leefomgevingskwaliteit in de
Schipholregio te verbeteren. Eén van de acht hoofdopgaven uit de
Bestuursovereenkomst ‘intenties samenwerking NOVEX Schipholregio’ betreft
12 Kamerstukken II 2019/20, 31936 nr. 674
13 Kamerstukken II 2019/20, 35334, nr. 81
14 Kamerstukken II 2021/22, 29665, nr. 432
15 Kamerstukken II 2021/22, 29665, nr. 437
Ministerie van
Inf rastructuur en
Waterstaat
Ons kenmerk
I E NW/BSK-2022/268034
P agina 8 van 9
luchtkwaliteit en ultrafijn stof. Er wordt in de NOVEX-aanpak breder gekeken dan
alleen naar luchtvaart, ook naar andere bronnen die emissies uitstoten , zoals
wegverkeer en industrie.
Ministerie van
Inf rastructuur en
Waterstaat
Ons kenmerk
I E NW/BSK-2022/268034
Hierbij wordt ook de aanbeveling van de Gezondheidsraad 16 betrokken, om de
leefomgeving zodanig in te richten dat langdurig verhoogde blootstelling aan
ultrafijn stof wordt beperkt. Dat kan bijvoorbeeld door bij de bouw van woningen
rekening te houden met de aanwezigheid van drukke (snel)wegen en overige
ultrafijnstofbronnen, zoals Schiphol.
Ter uitvoering van de bestuursovereenkomst wordt nu gewerkt aan de
concretiseringsfase. De verwachting is dat de Kamer rond de zomer 2023 over de
resultaten van deze fase kan worden geïnformeerd via de periodieke
voortgangsbrief Programma Omgeving Luchthaven Schiphol.
Tot slot
Uit het hiervoor staande blijkt dat er langs verschillende lijnen stappen worden
gezet om de invloed van luchtvaartemissies op de lokale luchtkwaliteit en de
gezondheidseffecten daarvan, te beperken.
Hoogachtend,
DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT,
Mark Harbers
16 https://www.gezondheidsraad.nl/documenten/adviezen/2021/09/15/risicos -van-
ultrafijnstof-in-de-buitenlucht
P agina 9 van 9
