> Retouradres Postbus 20901 2500 EX D en Haag
De voorzitter van de Tweede Kamer
der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA DEN HAAG
Datum 3 februari 2023
Betreft Nationaal Programma Circulaire Economie 2023-2030
(NPCE) incl. kabinetsreactie op ICER en SER-verkenning
Geachte voorzitter,
Met deze Kamerbrief bied ik u, als coördinerend bewindspersoon voor Circulaire
Economie, mede namens de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke
Ordening, de minister van Economische Zaken en Klimaat, de minister van
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, de minister voor Klimaat en Energie en de
minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, het Nationaal
Programma Circulaire Economie 2023-2030 (NPCE) aan. Met dit NPCE, dat volgt
uit de afspraken in het coalitieakkoord, zet het kabinet een volgende
noodzakelijke stap in de transitie op weg naar een circulaire economie.
In deze brief ga ik in op de belangrijkste inhoud van het NPCE. Daarnaast reageer
ik op twee relevante rapporten: de Integrale Circulaire Economie Rapportage 2023
(ICER) van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en de verkenning
“Evenwichtig sturen op de grondstoffentransitie en energietransitie voor brede
welvaart” van de Sociaal-Economische Raad (SER).
De circulaire transitie versnellen
De manier waarop we op dit moment met grondstoffen omgaan is niet houdbaar.
Een stijgende bevolkingsomvang leidt bovendien zonder ingrijpen tot een toename
van de vraag naar grondstoffen. Meer mensen betekent meer gebruik van
grondstoffen, tenzij ze bijvoorbeeld vaker producten hergebruiken. Maar ook
bestaande opgaves leiden tot een hogere vraag naar grondstoffen. Denk
bijvoorbeeld aan de bouwopgave, die leidt tot een toenemende vraag naar
bouwmateriaal. De energietransitie, die leidt tot een toenemende vraag naar
grondstoffen voor de bouw van windmolens, zonneparken enzovoort. We mogen
volgende generaties niet opzadelen met problemen die we nu veroorzaken .
Daarom werkt het kabinet toe naar een circulaire economie in 2050 met als
richtinggevend doel het gebruik van primaire abiotische grondstoffen in 2030 te
halveren.
Een circulaire economie draagt bij aan het tegengaan van klimaatverandering, het
herstellen en verbeteren van biodiversiteit en het creëren van een gezonde,
schone en veilige leefomgeving. Daarnaast draagt een circulaire economie bij aan
het vergroten van de leveringszekerheid van grondstoffen. De oorlog in Oekraïne
maakt eens te meer duidelijk hoe afhankelijk we als Nederland zijn van andere
Ministerie van
Inf rastructuur en
Waterstaat
Rijnstraat 8
2 5 15 XP D en Haag
P ostbus 20901
2 5 00 E X Den Haag
T 0 7 0-456 0000
F 0 7 0-456 1111
Kenmerk
I E NW/BSK-2023/33017
Bijlage(n)
4
P agina 1 van 7
landen voor onze grondstoffen1. Versnellen van de transitie is daarom hard nodig.
Het NPCE is een belangrijke stap, maar met de maatregelen in het NPCE alleen
komen we er niet. Er is meer nodig om de doelen daadwerkelijk te realiseren.
Ministerie van
Inf rastructuur en
Waterstaat
Het Nationaal Programma Circulaire Economie 2023-2030 (NPCE)
In het NPCE zijn concrete doelen voor geselecteerde productgroepen geformuleerd
en een uitgebreide set aan maatregelen opgenomen. In het NPCE zijn de
maatregelen opgenomen langs de vier aangrijpingspunten:
Kenmerk
I E NW/BSK-2023/33017
1. Vermindering gebruik grondstoffen;
2. Substitutie;
3. Levensduurverlenging en
4. Hoogwaardige verwerking.
Waar het beleid zich eerder vooral richtte op materialen in de afvalfase, leggen we
in dit NPCE steeds meer de nadruk op de gehele keten, van ontwerp en hergebruik
tot en met verwerking, zonder de aandacht te verliezen voor de achterkant van de
keten. Bij meer nadruk op de gehele keten kijken we ook naar de internationale
delen daarvan. De transitie naar een circulaire economie voltrekt zich niet
geïsoleerd; het is ook een Europees en internationaal proces. We sluiten daarom
aan bij EU-beleid en dragen bij aan promotie van de circulaire economie op
Europees en mondiaal niveau. Daarbij houden we ook oog voor onder meer de
milieu- en sociaaleconomische consequenties van de transitie in andere landen,
waaronder ontwikkelingslanden. Ook zetten we met het NPCE bewuster in op het
stimuleren en faciliteren van het gewenste circulaire gedrag van burgers op basis
van een uitgewerkte gedragsstrategie, die a ls bijlage is toegevoegd.
Met de inzet op de vier aangrijpingspunten, zorgen we voor een evenwichtige
inzet om te komen tot een circulaire economie, met een evenwichtige set aan
stimulerende, normerende en beprijzende maatregelen. Per fase van de transitie
in een productgroep of materiaalstroom zal het accent verschillen. Waar in het
begin van de transitie de vrijwilligheid vooral gezocht werd met ook stimulerende
maatregelen, zal gaandeweg steeds meer normerende en beprijzende
maatregelen voor de hand liggen. Ik ben voornemens om een tijdlijn op te stellen
waarin de verschillende (soorten) maatregelen duidelijk zichtbaar in de tijd
worden gezet.
Maatregelen
De in het NPCE opgenomen maatregelen zijn financieel gedekt. In het geval van
een verkenning of onderzoek is de verkenning of het onderzoek zelf gedekt, maar
de doorvertaling van de uitkomsten van de verkenningen en onderzoeken naar
eventuele beleidsmaatregelen niet.
Voorbeelden van maatregelen in het NPCE zijn:
1: Vermindering gebruik grondstoffen:
- In 2030 koopt de overheid veel meer circulair in. Denk aan bureaus en stoelen,
maar ook aan bruggen, wegen en waterwerken. Daarmee voorkomen we veel
onnodig gebruik van grondstoffen en stimuleren we dat bedrijven circulaire
producten gaan aanbieden.
1 Zie ook de Nationale Grondstoffenstrategie (Kamerstuk 2022Z24775)
P agina 2 van 7
- In 2030 is minimaal vijftig procent van de (wegwerp)verpakkingen gereduceerd
ten opzichte van nu. We verpakken alleen dat wat absoluut noodzakelijk is en
stimuleren herbruikbare verpakkingen.
Ministerie van
Inf rastructuur en
Waterstaat
- Milieuschade mag niet zonder gevolgen blijven. Veroorzaakt de productie van
grondstoffen of producten milieuschade? Dan moet dat gecompenseerd worden
door de producent. Door milieuschade te beprijzen, stimuleren we
consumenten en producenten om verantwoorder keuzes te maken. De
komende jaren verkennen w e hoe we nog onbeprijsde milieuschade beter in de
kostprijs van producten en diensten kunnen meenemen.
Kenmerk
I E NW/BSK-2023/33017
2: Substitutie
- We zetten in op een verplicht percentage hernieuwbare grondstoffen. Doel
hiervan is dat we meer en betere herbruikbare grondstoffen gebruiken. De
komende tijd verkennen we hoe we dit verplichte percentage het beste kunnen
invoeren en wat een realistisch percentage is . Hierbij hebben we oog voor
verschillende materiaalstromen. We starten met textiel (via de ESPR2),
verpakkingen (via de verpakkingenverordening), en elektrische apparaten (via
de Ecodesign-richtlijn).
- We werken aan het zo circulair mogelijk bouwen binnen de
woningbouwopgave. Daarvoor gaan we onder andere de voorwaarden
scheppen voor het vergroten van vraag en aanbod voor biobased bouw3.
3: Levensduurverlenging:
- We gaan hergebruik stimuleren, onder andere door het kopen en verkopen van
tweedehandskleding te stimuleren (via de Uitgebreide
producentenverantwoordelijkheid (UP V)). We onderzoeken of het mogelijk is
om retailers te verplichten een steeds groter aandeel tweedehands producten
aan te bieden.
- Vanaf 2023 komt er een reparateursregister voor elektrische en elektronische
apparaten, zodat producten die het niet meer doen worden hersteld in plaats
van weggegooid.
4: Hoogwaardige verwerking
- In 2050 moet het verbranden van recyclebaar materiaal volledig verleden tijd
zijn. Dat vergt ingrepen aan de voorkant van de keten. Daarom gaan we onder
andere gemeentes én inwoners van Nederland helpen om afval nog beter te
scheiden. Uiteindelijk kan dit leiden tot een materiaalgericht
verbrandingsverbod.
- We zetten in op een UPV voor meubels voor 2030. Dat betekent dat
producenten verantwoordelijk worden gemaakt voor (de kosten van) het
inzamelen en recyclen van meubels aan het einde van de levensduur, zodat er
zo min mogelijk afval ontstaat.
ICER en SER-verkenning
Bij het opstellen van het Nationaal Programma zijn de aanbevelingen van de SER-
verkenning (Kamerstuk 32852 nr. 209) en de Integrale Circulaire Economie
Rapportage van het PBL (bijlage bij deze brief) betrokken. De belangrijkste
aanbevelingen uit de SER-verkenning en de ICER sluiten nauw bij elkaar aan.
2 Ecodesign for Sustainable Products Regulation
3 Besluitvorming over uit te voeren maatregelen in het kader van de klimaatopgave vindt
plaats in het voorjaar van 2023
P agina 3 van 7
1. Stel concrete doelen op die gepositioneerd zijn in een visie voor de
lange termijn.
Het PBL stelt voor om op nationaal niveau meerdere doelen op te stellen,
de SER stelt één duurzame grondstoffendoelstelling voor. Beide
organisaties bevelen doelen aan waarbij zowel op milieu als circulariteit
wordt gestuurd. Om concrete invulling te geven aan een doel moet deze
volgens hen specifiek gemaakt worden op productgroepniveau (volgens het
PBL) of worden toebedeeld aan sectoren en ketens (SER).
2. Ontwikkel een coherent pakket van beleidsmaatregelen met
voldoende inzet van verplichtende maatregelen zoals normering en
beprijzing.
Deze maatregelen scheppen nieuwe spelregels om een substantiële
marktvraag te creëren naar circulaire producten die nodig is om de omslag
naar een circulaire economie te maken.
3. Versterk de governance inclusief uitvoeringsstructuur met een
duidelijke verdeling van de verantwoordelijkheden.
Geef betrokken partijen een stevig en gespecificeerd mandaat om de
gewenste veranderingen te realiseren. Het PBL en de SER geven aan dat
voldoende structurele mogelijkheden (mensen en middelen) beschikbaar
moeten komen om deze verantwoordelijkheden waar te maken. Ze
constateren dat er op dit moment te weinig middelen beschikbaar worden
gemaakt door het kabinet.
4. Zet in op een kabinetsbrede aanpak waarin circulariteit volledig
wordt geïntegreerd in ander beleid om de ambitie om de economie
circulair te maken in 2050 te behalen.
Ambities voor 2030 en 2050 helpen de stap te zetten naar een circulaire
economie. In het NPCE zijn daarom doelen opgenomen voor productgroepen,
overeenkomstig de eerste aanbeveling van de SER en het PBL. Aangetekend dient
te worden dat voor het vaststellen van overkoepelende doelen nog een aantal
stappen te zetten is. Ten aanzien van de tweede aanbeveling is zoals eerder
gesteld een grote stap gezet in het NPCE, met een evenwichtige set aan
maatregelen. Op de derde en vierde aanbeveling kom ik later in deze brief terug.
Uitwerking ambitieus klimaatdoel voor de circulaire economie
In het NPCE wordt ingegaan op de verdere uitwerking van het ambitieuze
klimaatdoel voor de circulaire economie. Door het sturen en faciliteren van
(internationale) duurzame, circulaire ketens draagt beleid voor de circulaire
economie immers bij aan de klimaatopgave, op zowel (1) de mondiale
klimaatopgave als (2) de nationale klimaatdoelen. Het kabinet zet zich in voor het
reduceren van de Nederlandse broeikasgasvoetafdruk. Beleid hiertoe zal ook
bijdragen aan de kabinetsdoelstelling om in 2030 nationaal minimaal 55 procent
uitstootreductie te realiseren. Zoals eerder aan uw Kamer gemeld ziet het kabinet
een potentiële bijdrage aan de binnenlandse reductie -opgave van structureel 2-4
Mton CO2-reductie door circulair beleid. Een recente studie door CE Delft naa r de
kwantitatieve CO2-impact van een tiental circulaire maatregelen laat zien dat,
naast de te verwachten mondiale reducties, de verwachte nationale CO 2-reductie
0,1 tot 2,8 Mton bedraagt. Het precieze reductiepotentieel op Nederlands
grondgebied ten opzichte van het huidig klimaatbeleid is daarmee onzeker. Dit
onderzoek stuur ik mee met deze brief.
Een circulaire economie draagt bij aan de klimaatopgave, milieuopgave,
biodiversiteit en leveringszekerheid. Omgekeerd kan klimaatbeleid een circulaire
Ministerie van
Inf rastructuur en
Waterstaat
Kenmerk
I E NW/BSK-2023/33017
P agina 4 van 7
economie helpen versnellen. In het NPCE wordt ingegaan op hoe de samenhang
tussen circulaire economie en klimaatbeleid wordt versterkt in het
instrumentarium en welke mogelijkheden er zijn om de samenhang te versterken
in de verschillende klimaatsectoren.
Data en monitoring
Bij het opstellen van het NPCE (en eerder de adviesroutekaarten door de
transitieteams 4) bleek dat nog veel data ontbreken. Data over de feitelijke
belemmeringen, de effectiviteit van maatregelen en de kosten. Het komende jaar
zal gebruikt worden voor het goed in kaart brengen op welke onderdelen de
noodzakelijk data ontbreekt. En zetten we een eerste stap in het verder
verzamelen van deze data. Dit draagt bij het aan zowel de eerste als de tweede
aanbeveling van de SER en het PBL. Een belangrijke notie hierbij is dat de
dataverzameling, net als de wijze waarop we de doelen zullen meten, nog
onontgonnen terrein is, mede omdat we voorlopen op andere landen.
Kabinetsbrede inzet op circulaire economie
Indachtig de vierde aanbeveling van het PBL en de SER, vinden we het belangrijk
om te benadrukken dat de transitie naar een circulaire economie een
kabinetsbrede aanpak is. Omdat de transitie naar een circulaire economie andere
opgaven raakt en kan helpen (en vice versa), trekken we voor de uitwerking
zoveel mogelijk op met andere ministeries , waarvan de SER en het PBL in hun
adviezen ook het belang benadrukken. Denk hierbij ook aan samenwerking bij de
klimaat- en energietransitie, de woningbouwopgave en de transitie in het landelijk
gebied, maar ook aan de zorg, sport, logistiek en mobiliteit.
Op 9 december 2022 heeft uw Kamer tevens de Nationale Grondstoffenstrategie
(Kamerstuk 2022Z24775) ontvangen. Deze kent een nauwe samenhang met het
NPCE, met name als het gaat om inzet van circulaire strategieën gericht op het
vergroten van de leveringszekerheid van kritieke grondstoffen en de
verduurzaming van internationale ketens . De Grondstoffenstrategie en het NPCE
versterken elkaar.
In samenhang met de derde aanbeveling van het PBL en de SER heeft uw Kamer
per motie (Kamerstukken 32852, nr. 199) verzocht om naast het concretiseren
van circulaire economiedoelen ook de concrete beleidsopties, routes, afwegingen
en (maatschappelijke) kosten die gepaard gaan met het behalen van deze doelen ,
in kaart te brengen. Deze zijn opgenomen in de bijlage . Daarnaast wordt hierbij
invulling gegeven aan de motie Bontenbal/Grinwis (Kamerstukken 32813, nr.
952).
Tot slot
We gaan met dit NPCE een volgende fase van deze urgente transitie in. Het
kabinet had dit programma niet op kunnen stellen zonder de basis die er
afgelopen jaren gelegd is. Daar zijn we de betrokken partijen, zoals de
transitieteams en leden van het Bestuurlijk Overleg Circulaire Economie en hun
achterban, zeer erkentelijk voor.
Om de benodigde versnelling mogelijk te maken gaan we met het NPCE in de
hand in gesprek met betrokken partijen bij de circulaire economie. We gaan
4 Kamerbrief over stand van zaken concretisering doelen voor circulaire economie |
Kamerstuk | Rijksoverheid.nl
Ministerie van
Inf rastructuur en
Waterstaat
Kenmerk
I E NW/BSK-2023/33017
P agina 5 van 7
afspraken maken met bedrijven, werkgeversorganisaties, financiële en
kennisinstellingen, vakbonden, maatschappelijke organisaties en medeoverheden
over de bijdrage die zij kunnen leveren aan het realiseren van de doelen. Veel
partijen hebben in aanloop naar dit NPCE aangegeven een bijdrage te willen
leveren.
Ministerie van
Inf rastructuur en
Waterstaat
Kenmerk
I E NW/BSK-2023/33017
We zetten met het NPCE weer een stap op weg naar de circulaire economie. Maar,
zoals gezegd, is er nog meer nodig om de ambities te halen. We willen de
komende jaren daarom meer stappen zetten en gaan op zoek naar mogelijkheden
om de doelen binnen bereik te brengen.
Hoogachtend,
DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT,
drs. V.L.W.A. Heijnen
P agina 6 van 7
Bijlage: Mogelijke aanvullende maatregelen op het NPCE
In het Nationaal Programma Circulaire Economie 2023-2030 zijn alleen
maatregelen en acties opgenomen waar we middelen voor hebben. Voor de
volgende aanvullende maatregelen en acties zijn (nog) geen middelen:
Ministerie van
Inf rastructuur en
Waterstaat
Kenmerk
I E NW/BSK-2023/33017
 Circulair uitvoeren andere transities (zoals klimaatagenda en bouwopgave)
uitgebreider dan huidige inzet;
 Opschalingsregeling Circulaire Economie (volgens systematiek SDE++);
 Meerkosten vergoeden bij Maatschappelijk Verantwoord Opdrachtgeven en
Inkopen (MVOI);
 Voor meer productgroepen circulaire inkoopcriteria oppakken;
 Faciliteren medeoverheden en regionale partijen om circulaire economie-
opgave regionaal in de praktijk te brengen;
 Meer ondernemers in het peloton bereiken door verdere opschaling van
het Versnellingshuis Nederland Circulair!;
 Aandacht voor het thema duurzaamheid in brede zin en de circulaire
economie vergroten en vraaggestuurd het onderwijs hierin ondersteunen.
 Het (laten) opvangen van de sociale gevolgen van afbouw door om- en
bijscholing naar circulaire skills;
 Inzet op een data- en digitaliseringsstrategie, een platform om datadeling
te faciliteren;
 Een onderzoeksagenda opstellen om de gaten in beschikbare data op te
vullen.
Niet in deze bijlage opgenomen, maar wel relevant, is de opvolging van de
aanbevelingen die volgen uit de verkenningen van maatregelen en onderzoeken
zijn opgenomen in het NPCE. De verkenning/onderzoek is financieel gedekt, maar
de uitvoering van de hieruit volgende aanbevelingen niet. Deze kunnen zonder
aanvullende middelen dus niet zomaar doorgang vinden.
Met deze bijlage geven we invulling aan een motie van Tweede Kamerlid Mulder
(CDA).5
De voorgestelde wetgevende maatregelen, zowel nationaal als Europees, zullen
impact hebben op handhaving, uitvoering en toezicht, ook financieel. De impact op
uitvoering en handhaving zal bij verdere uitwerking van specifieke wetgevende
maatregelen met een HUF-toets6 nader in kaart worden gebracht. Dit zal nader
inzicht geven in de implicaties voor de bevoegde autoriteiten (o.a. de Inspectie
voor Leefomgeving en Transport (ILT) en Omgevingsdiensten),
uitvoeringsorganisaties (o.a. RWS, RVO) en, in sommige gevallen
medeoverheden, en de budgettaire gevolgen.
5https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/moties/detail?id=2022Z10845&did=2022D222
49; hieruit: ‘verzoekt de regering om naast het concretiseren van circulaire economiedoelen
ook de concrete beleidsopties, routes, afwegingen en (maatschappelijke) kosten die gepaard
gaan met het behalen van deze doelen, in kaart te brengen, en de Kamer hierover voor het
einde van het jaar te informeren’
6 HUF: handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudebestendigheid
P agina 7 van 7
